Strafrecht en criminologie

Het rechterlijk gebieds- of contactverbod

P.W.S. Boer

Op 1 april 2012 is de Wet rechterlijk gebieds- of contactverbod  in werking getreden. Deze wet geeft de strafrechter de mogelijkheid om in zijn vonnis een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht op te leggen aan de veroordeelde. In deze bijdrage worden de hoofdlijnen van de wet besproken. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de reikwijdte van de vrijheidsbeperkingen, de vervangende hechtenis die volgt op overtreding van de maatregel, de mogelijkheid van schadevergoeding en de verhouding tussen de vrijheidsbeperkende maatregel en andere vrijheidsbeperkende interventies. Tot slot wordt stilgestaan bij de verwachte toepassing in de praktijk en de toegezegde wetsevaluatie.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
september 2012
AA20120665

Het rechtsbelangenconcept: een multifunctioneel instrument in het strafrecht

Het Schadefonds Geweldsmisdrijven

D. Jalink

13 jaar geleden, is de wet in werking getreden waarbij het Schadefonds Geweldsmisdrijven is ingesteld. Het is nog steeds een voorlopige regeling. Het lijkt inmiddels tijd voor een definitieve regeling. De betreffende voorstellen, gedaan door de commissie Terwee zullen in dit artikel kort worden weergegeven en besproken, voorafgegaan door een overzicht van de wettelijke regeling, de rechtsgrond, de uitvoering daarvan en de bij het Schadefonds gevolgde procedure, en enkele cijfers.

Opinie | Column | Overig | Rode draad | Slachtoffers van delicten
februari 1989
AA19890110

Het slachtoffer en de afgedwongen verschijning van de verdachte

Het slachtofferbeslag

C.B. van der Net

Op 1 januari 2014 is de Wet houdende aanpassing van onder andere het Wetboek van Strafrecht (Sr) en het Wetboek van Strafvordering (Sv) in verband met de introductie van het zogenaamde slachtofferbeslag in werking getreden. In deze bijdrage wordt dit slachtofferbeslag nader toegelicht.

Annotaties en wetgeving | Wetgeving
februari 2014
AA20140133

Het Statuut van Rome, haar lidstaten en de aanklager van het Strafhof

T.R.C. Bos, H.G. Leffers

Het Statuut van Rome is de juridische basis van het Internationale Strafhof, dat sinds juni 2002 gevestigd is in Den Haag. Dit jaar zal in mei – ruim zeven jaar na de inwerkingtreding van het Statuut – conform artikel 123 van dit verdrag een herzieningsconferentie worden georganiseerd om de werking van het Statuut te evalueren. Ingevolge artikel 121 kunnen lidstaten vervolgens wijzigingen voorstellen die tijdens deze conferentie behandeld zullen worden. Het is echter de vraag of veel van deze voorstellen verwacht mag worden gezien de ontwikkeling die de laatste jaren heeft plaatsgevonden in de opstelling van de aanklager van het Strafhof.

Opinie | Redactioneel
januari 2010
AA20100005

Het stelsel van gedragsregels in het wegverkeer

M. Otte

Bespreking van een proefschrift met daarin de volgende centrale stelling: In het verkeersstrafrecht dient aan het vage verbod geen gevaar op de weg te veroorzaken bestaansrecht te worden ontzegd vanwege het ontbreken van enige informatieoverdracht aan de weggebruiker.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
maart 1994
AA19940179

Het straatverbod: onbeperkte toepassing?

A. Holwerda

Het straatverbod blijkt de laatste tijd een veelbeproefd juridisch instrument voor mensen die worden lastiggevallen of dreigen te worden lastiggevallen. Tot nu toe heeft de rechter zich zeer gevoelig getoond voor de noden en behoeften van degenen die in kort geding een verbod eisten. Bestudering van de rechtspraak maakt een groeiende bekommernis zichtbaar met de positie van slachtoffers van onrechtmatige gedragingen. Deze constatering leidt tot de vraag naar de juridische begrenzingen van het straatverbod. Hoe ver kan en mag de rechter gaan bij het honoreren van de behoefte van eiser(es) om verschoond te blijven van ongewenste confrontaties? Waar komt een straatverbod in strijd met het belang van de gedaagde om onder zo min mogelijk vrijheidsbeperkende maatregelen te leven? Het is dit probleem van de verenigbaarheid van straatverboden met het grondrecht van bewegingsvrijheid welke het onderwerp vormt van dit artikel. Aan de hand van enkele markante gevallen uit de rechtspraktijk zal ik proberen aan te geven wat ik, gelet op het grondrecht van bewegingsvrijheid, nog een toelaatbare toepassing van het straatverbod acht.

Overig | Rode draad | Slachtoffers van delicten
maart 1989
AA19890175

Het strafrecht als cement van de samenleving

Interview met prof.mr. Th.W. van Veen

F.G.H. Kristen, K. Schrijvers

Prof.mr. Th.W. van Veen studeerde voor de oorlogsjaren (1938-1939) rechten in Utrecht en voltooide zijn studie tijdens de oorlog in Groningen. Een drieëneenhalf uur durend mondeling examen bij prof.mr. M.P. Vrij vormde de basis voor een verdergaande samenwerking. Hoewel Vrij — op dat moment reeds raadsheer in de Hoge Raad — in wezen zijn promotor was, promoveerde Van Veen in 1949 op het thema generale preventie bij prof.mr. B.V.A. Röling. Na twintig jaar als journalist bij het Vrije Volk gewerkt te hebben, waarvan de laatste zes jaar als hoofdredacteur, aanvaardde hij in 1969 het hoogleraarschap in Groningen. Sedertdien heeft Van Veen talloze malen van zich laten horen met wetenschappelijke publicaties, de bewerking van Van Bemmelens handboek Ons Strafrecht en de vele noten in de Nederlandse Jurisprudentie. Op 11 januari 1996 spraken wij met de emeritus hoogleraar in zijn woning te Zuidhorn.

Verdieping | Interview
september 1996
AA19960550

Het strafrecht tussen waarheid en leugen: over Holocaustontkenning en andere memory laws

M. van Noorloos

Post thumbnail Memory laws stellen ontkenning van grootschalige mensenrechtenschendingen uit het verleden – en soms ook uitingen als het bagatelliseren of rechtvaardigen van zulke misdaden – strafbaar. Zo heeft Polen het onlangs verboden om de Poolse natie verantwoordelijk te houden voor de Holocaust. Wat is de ratio achter zulke wetten en hoe verhouden die zich tot de vrijheid van meningsuiting?

Opinie | Opiniërend artikel
december 2018
AA20181010

Het Tallon-kriterium revisited

Th.A. de Roos

Hoge Raad 26 september 2000, nr. 00544/99, ECLI:NL:HR:2000:AA7233 Tallon-kriterium volgens het Hof in casu niet geschonden, omdat niet kan worden gezegd dat de verdachte door de uitlatingen van de verbalisant is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. HR: Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk een fragment van de gerelateerde conversatie tussen de opsporingsambtenaar-verbalisant en de verdachte aldus verstaan dat daaruit het initiatief van de laatste tot de cocaïne-deal moet worden afgeleid. De A-G Jörg beoordeelt de zaak anders: de 'totality of circumstances' in aanmerking genomen blijkt niet zonneklaar dat het ‘generieke’ opzet tot de deal reeds tevoren bij de verdachte bestond. De HR houdt het evenwel bij een zeer terughoudende toetsing. De gang van zaken zou sinds de invoering van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden vallen onder artikel 126q (pseudokoop door opsporingsambtenaar). Dan zou er wel een schriftelijk bevel van de officier van justitie moeten zijn; 'spontane' pseudokoop is niet meer rechtmatig.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
januari 2001
AA20010041

Het toetsen van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de bewijsconstructie: wat vermag de rechter?

L. Stevens

Hoge Raad 29 september 2015, nr. 13/04497, ECLI:NL:HR:2015:2842

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2016
AA20160281