De Grondwet is geen wiskunde’, maar wel een kompas

Op 17 september 2025 adviseerde de Afdeling advisering van de Raad van State de regering het Wetsvoorstel tot schrapping van de voorrang voor statushouders in de sociale huursector niet in te dienen bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2025/26, 36831, nr. 4). Desondanks diende de regering het wetsvoorstel in, met de toelichting aan de media dat ‘de Grondwet geen wiskunde is’ (NOS, 22 september 2025). Dit redactioneel bekijkt het proces van dit wetsvoorstel door de lens van Kuypers en Tinnevelts onderscheid tussen horizontaal en verticaal rechtsstatelijk verval (NJB 2023, p. 1386). Horizontaal verval ziet op de verzwakking van de verhouding tussen staatsmachten, terwijl verticaal verval betrekking heeft op de erosie van de relatie tussen overheid en burger. Hoewel Tinnevelt ‘het structureel negeren van zeer dwingende adviezen van de Raad van State’ duidt als horizontaal verval (Beleid & Maatschappij 2025, p. 149), wordt in dit redactioneel betoogd dat dit ook kan leiden tot verticaal verval.
Juist in Nederland, waar artikel 120 Grondwet rechterlijke toetsing van wetten in formele zin aan de Grondwet uitsluit, vormt de advisering van de Raad van State de belangrijkste vorm van preventieve ‘constitutionele toetsing’ (Verhey & Groen, RegelMaat 2023, p. 313-315). De omgang hiermee is daarom niet vrijblijvend, al helemaal wanneer wordt geconstateerd dat een wetsvoorstel in strijd is met grondrechten.
Van deze laatste situatie was sprake bij het Wetsvoorstel tot schrapping van de voorrang voor statushouders in de sociale huursector. De Afdeling advisering stelde vast dat het wetsvoorstel onverenigbaar is met artikel 1 Grondwet, omdat het een instrument van ongelijkheidscompensatie wegneemt terwijl de feitelijke achterstandspositie van vergunninghouders op de woningmarkt voortduurt. De regering erkent in het nader rapport het belang van gelijke behandeling in gelijke gevallen, maar benadrukt dat dit geen resultaatsverplichting inhoudt en dus geen gelijke uitkomsten garandeert. De regering acht ‘voorkeursbehandeling’ in tijden van woningschaarste ‘maatschappelijk niet uitlegbaar’, omdat lang wachtende woningzoekenden worden ingehaald (Stcrt. 2025, 34863, p. 5-6). Daarmee verschuift de rechtvaardiging van het wetsvoorstel van constitutionele aanvaardbaarheid naar electorale aanvaardbaarheid. Anders gezegd: de vraag of het voorstel verenigbaar is met grondwettelijke normen maakt plaats voor de vraag of het politieke frictie oproept. Op korte termijn kan dit de relatie tussen overheid en burger verbeteren, maar op de langere termijn kan het juist het vertrouwen aantasten in grondrechten als waarborg tegen politieke macht. Zoals de Staatscommissie rechtsstaat benadrukt, blijft democratische besluitvorming slechts legitiem zolang zij plaatsvindt binnen constitutionele waarborgen – die juist ook tegen de wil van de meerderheid bescherming bieden (De gebroken belofte van de rechtsstaat 2024, p. 19).
Deze casus illustreert de kwetsbaarheid van een systeem waarin de Afdeling advisering de enige vorm van niet-bindende ‘constitutionele toetsing’ biedt. In het coalitieakkoord 2026-2030 pleiten D66, VVD en CDA voor aanpassing van het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet, om constitutionele toetsing aan de klassieke grondrechten mogelijk te maken en zo de rechtsbescherming te versterken (p. 11). Tegelijkertijd benadrukt de staatscommissie in haar rapport dat de rechtsstaat bovenal ‘een politiek werkwoord is’ (p. 46, 83). Zoals Tinnevelt uiteenzet, reikt de rechtsstaat verder dan institutionele waarborgen en formele regels: zij staat of valt met het handelen van politieke actoren. Ook indien artikel 120 Grondwet zou worden gewijzigd, blijft daarom de vraag of de politiek zich daadwerkelijk rekenschap geeft van constitutionele waarborgen. Het debat over het toetsingsverbod is daarmee belangrijk, maar onvoldoende. Minstens zo essentieel is het versterken van een rechtsstatelijke cultuur, waaronder het inbeeldingsvermogen van de politiek ten aanzien van kwetsbare groepen: ‘de vaardigheid om te bedenken hoe het zou kunnen zijn om in de schoenen te staan van iemand anders dan jijzelf’ (Nussbaum 2013, p. 130), hetgeen helpt bij het scheppen van een ‘publieke verbeelding die wetgever en bestuurder helpt bij het maken van wetten en opstellen van beleid’ (Nussbaum 1991, p. 879). De Grondwet is misschien geen wiskunde, maar wel een kompas. En wie dat kompas negeert, verliest niet alleen de rechtsstatelijke koers, maar ook het vertrouwen van burgers.
Dit redactioneel van Thijs van Bellen & Sjoukje Kraak is verschenen in Ars Aequi maart 2026.
Categorieën: Redactioneel, Weblogs




