Strafrecht en criminologie

Onbeschermde seks en opzet bij levensberoving

A.J. Machielse

Onderstaand krantenbericht demonstreet de actualiteit van een bekend thema; het onderscheid tussen opzet en schuld als bestanddeel. Maar waarin zit hem dat verschil? En wordt aan dat verschil wel voldoende recht gedaan door de uitspraken van de Hoge Raad in de zogenaamde HIV-zaken?

Verdieping | Verdiepend artikel
maart 2004
AA20040155

Onderbelicht: het vaststellen van de feiten

R.J.B. Schutgens

Post thumbnail

In de rechtenopleiding zou meer aandacht moeten worden besteed aan de beoordeling van feiten. In een vak ‘waarheidsvinding’ zouden rechtenstudenten kunnen leren hoe bewijs moet worden beoordeeld.

Blauwe pagina's | Onderbelicht
april 2012
AA20120246

Onderbouwing en beoordeling van aanhoudingsverzoeken in strafzaken

J.M. ten Voorde

Hoge Raad 16 oktober 2018, nr. 17/01052, ECLI:NL:HR:2018:1934

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 2019
AA20190681

Onderlinge samenhang tussen de OM-richtlijnen: twee vraagtekens

L.M. van den Bosch, D.B. Sander

Met het oog op een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM strafvorderingsrichtlijnen opgesteld voor de meest voorkomende delicten. De deugdelijkheid van een landelijk uniform strafvorderingsbeleid is mede afhankelijk van een evenwichtige onderlinge samenhang tussen deze strafvorderingsrichtlijnen. De auteurs zetten in dit redactioneel twee vraagtekens bij die evenwichtigheid

Opinie | Redactioneel
april 2020
AA20200315

Ondervraagd of niet, that’s the question

T. Kooijmans

Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM/ECHR) 10 juli 2012, ECLI:NL:XX:2012:BX3071, appl.nr. 29353/06, NJ 2012/649 m.nt. T.M. Schalken (Vidgen t. the Netherlands)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
februari 2013
AA20130134

Onderzoek aan het lichaam

A.H.J. Swart

Hoge Raad 8 november 1988, ECLI:NL:PHR:1988:AC0609 (Rectaal fouilleren Het lichaam van de verdachte kan voorwerp van strafvorderlijk onderzoek zijn wanneer het informatie kan verschaffen die van belang is voor het bewijs van een strafbaar feit. Naar de mening van de Hoge Raad heeft het Hof Amsterdam terecht geoordeeld dat het onderzoek aan het lichaam ook een onderzoek kan omvatten van de natuurlijke openingen en holten van het lichaam. In de noot wordt uitvoerig ingegaan op onderzoek in en aan het lichaam.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 1989
AA19890780

Onderzoek in een smartphone

Zoeken naar een redelijke verhouding tussen privacybescherming en werkbare opsporing

L. Stevens

Hoge Raad 4 april 2017, nr. 15/03882, ECLI:NL:HR:2017:584; Hoge Raad 4 april 2017, nr. 15/05365, ECLI:NL:HR:2017:588; Hoge Raad 4 april 2017, nr. 15/01973, ECLI:NL:HR:2017:592

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 2017
AA20170730

Onderzoeksbevoegdheden ter voorkoming van terroristische aanslagen: de pro’s en contra’s van het Amerikaanse antiterrorismebeleid

M.F.H. Hirsch Ballin

Post thumbnail De bestrijding van terrorisme heeft in het laatste decennium van de vorige eeuw het strafrechtelijk opsporingsonderzoek veranderd. Het proefschrift van Marianne Hirsch Ballin brengt in beeld hoe Nederlandse en Amerikaanse antiterrorismemaatregelen zich verhouden tot de fundamentele rechten en beginselen die in het strafrechtelijk onderzoek en het strafproces dienen te worden gewaarborgd. In dit artikel licht zij toe welke onderzoeksbevoegdheden ter voorkoming van terroristische misdrijven aan de Amerikaanse autoriteiten ter beschikking staan. Vervolgens geeft zij aan hoe de Verenigde Staten zowel in positieve als negatieve zin als voorbeeld kunnen dienen voor reflectie op ons eigen systeem van opsporing van terroristische misdrijven.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
maart 2013
AA20130247

Oneigenlijk gebruik van de bijzondere voorwaarden in het strafrecht

J. van Zeijst

Beginselen vormen in het strafrecht een groot goed, maar zij hebben levens de lastige eigenschap niet geheel en al aan te sluiten bij de praktische behoeften van een doelmatige strafrechtspleging. Zo ook het legaliteitsbeginsel. In dit artikel wordt aangegeven hoe het legaliteitsbeginsel fricties kan opleveren als de rechter het bestaande wettelijke arsenaal van straffen en maatregelen ontoereikend acht. Hij zoekt naar wegen om aan de greep van het legaliteitsbeginsel te ontkomen en een voor de hand liggende mogelijkheid is dan het opleggen van een bijzondere voorwaarde. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat de wetgever aan de bijzondere voorwaarde een andere functie heeft toegedacht dan die van verkapte straf of verkapte maatregel. Een zodanig gebruik is dus in strijd met de bedoelingen van de wetgever en staat tevens op gespannen voet met het  legaliteitsbeginsel. Daarom mag met recht van een oneigenlijk gebruik worden gesproken. Enige voorbeelden hiervan komen aan de orde en tevens zal de vraag worden opgeworpen: heeft de bijzondere voorwaarde nog toekomst?

november 1982
AA19820621

Ongefundeerd wantrouwen in de rechterlijke macht

De empirische onderbouwing van het concept-wetsvoorstel minimumstraffen bij recidive van zware delicten

M.M. Boone

Post thumbnail In de praktijk is het vaak zo dat de wetgever de banden van de rechter aantrekt als het vertrouwen in de rechter tanende is. Het concept wetsvoorstel minimumstraffen past dan ook geheel bij het sentiment van deze tijd. Sentiment is echter onvoldoende grond voor de fundamentele wijziging van het sanctiestelsel die door dit concept wetsvoorstel zou worden bewerkstelligd. De verwachting zal toch ten minste reëel moeten worden gemaakt dat de invoering van het concept wetsvoorstel tot verbetering zal leiden van de misstanden waarover de indieners zich zorgen maken. De empirische gronden waarop het concept wetsvoorstel berust, zijn echter bijzonder zwak onderbouwd. In deze opinie neemt Miranda Boone de taak op zich en onderzoeken in hoeverre de vier belangrijkste empirische veronderstellingen waarop het concept wetsvoorstel berust door uitkomsten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek worden ondersteund.

Opinie | Opiniërend artikel
september 2011
AA20110620

Ontkenning, bagatellisering en vergoelijking van internationale misdrijven in het Wetboek van Strafrecht

Een analyse van de complexe nieuwe ‘memory law’ in artikel 137c lid 2

M. van Noorloos

Post thumbnail In 2024 is aan artikel 137c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een verbod toegevoegd op het ontkennen, vergoelijken of verregaand bagatelliseren van grootschalige internationale misdrijven, als bijzondere vorm van groepsbelediging. Dit artikel geeft een beschouwing van een aantal delicate vragen waar de rechtspraktijk voor kan komen te staan bij de interpretatie van deze ‘memory law’.

Verdieping | Verdiepend artikel
maart 2026
AA20260177

Ontmaskering

G. Knigge

In de rubriek `recht in zicht´ wordt door een oud-redacteur teruggekeken op zijn of haar artikel dat deze redacteur destijds schreef en wat de uitwerkingen van het artikel waren.Knigge gaat in op zijn artikel voor Ars Aequi dat hij heeft gebaseerd op zijn eerder verschenen scriptie over de opportuniteit in het strafrecht waarbij hij twee niveaus onderscheidt.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2001
AA20010737