Staats- en bestuursrecht

Het Daschner Dilemma

Dreigen met foltering om levens te redden

S. Garvelink

Post thumbnail Op 30 juni 2008 deed het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak in de geruchtmakende zaak Gäfgen tegen Duitsland. Het ging daar onder meer om de vraag of levensbedreigende situaties aanleiding kunnen zijn om het taboe op foltering in de rechtsstaat te doorbreken. Dit artikel geeft een overzicht van de feitenen procedures en gaat in op de rechtsfilosofische achtergronden.

Verdieping | Studentartikel
januari 2009
AA20090022

Het derde voorstel tot een ’technische neutrale’ wijziging van artikel 13 Gw

E.J. Dommering

Post thumbnail De Commissie-Thomassen had tot opdracht een Grondwetsvoorstel in Jip en Janneke-taal te maken en ook de grondrechten die over informatietechnologie gaan (de artikelen 7-13 Gw) te moderniseren. De Commissie bracht in 2011 een verdeeld advies uit. Daarvan is nu een voorstel tot wijziging van artikel 13 (brief- en telefoongeheim) overgebleven. Een voorontwerp zal vermoedelijk dit jaar gevolgd worden door een definitief voorstel aan de Tweede Kamer. Dit artikel onderwerpt het voorontwerp en het voorstel van de Commissie aan een kritische analyse.

Verdieping | Verdiepend artikel
mei 2013
AA20130378

Het domein van de rechter

J.M. Barendrecht

Column van Barendrecht waarin deze ingaat op de taak en het domein van de rechter in het Nederlandse rechtsbestel in veranderende tijden.

Opinie | Column
maart 2009
AA20090185

Het EHRM slaat geen nieuwe piketpaaltjes in het relatierecht.

Geen schending artikel 8 EVRM door beperking van het verschoningsrecht tot formele relaties

W.M. Schrama

Post thumbnail Het Nederlandse strafprocesrecht kent in artikel 217 aanhef en onder 3 Sv alleen een verschoningsrecht toe aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot in de derde graad en aan de (voormalig) echtgenoot of (voormalig) geregistreerd partner, maar niet aan informele samenleefrelaties. Ongehuwd samenlevende partners moeten dus getuigen, ook als dat strafrechtelijk gezien in het nadeel van hun partner is. Een zaak waarin dit zich voordeed is voorgelegd aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat in april 2012 uitspraak heeft gedaan. Deze beslissing staat in dit artikel centraal.

Opinie | Opiniërend artikel
april 2013
AA20130281

Het einde van de bestuursrechtelijke ne bis in idem-rechtspraak

A.T. Marseille

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, nr. 201502095/1/A3

Annotaties en wetgeving | Annotatie
april 2017
AA20170321

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beslist 12.143 zaken in één klap

L.R. Glas

Post thumbnail Ondanks het feit dat de uitspraak Burmych e.a. t. Oekraïne van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen klassieke landmark-uitspraak is, is zij om een vijftal redenen uitzonderlijk. Deze redenen houden verband met de keuze van het Hof om vooral zo snel mogelijk van de klachten af te zijn. Die keuze heeft grote gevolgen voor duizenden Oekraïners.

Blauwe pagina's | Spraakmakende Zaken
mei 2021
AA20210428

Het Europese Hof over hulp bij suïcide

G. den Hartogh

In het recente Pretty-arrest heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vastgesteld dat onder het EVRM staten het recht hebben om hulp bij suïcide categorisch te verbieden. De overwegingenvan het Hof maken duidelijk hoe het recht op leven (art. 2) opgevat moet worden: het recht beschermt niet de vrijheid om zelf over leven en dood te beschikken, en zelfs niet het subjectieve belang van de rechthebbende, maar het leven als een objectief rechtsgoed. Toch wordt legalisering van hulp bij suïcide en euthanasie daarmee niet uitgesloten. De mogelijke rechtvaardiging daarvoor zou via het recht op een privé-leven (art. 8) moeten lopen. Bij legalisering geldt de eis dat kwetsbare personen worden beschermd, maar staten hebben een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen of dat het geval is.

Verdieping | Verdiepend artikel
februari 2003
AA20030096

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens: luctor et emergo

M. Kuijer

Post thumbnail Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is zonder twijfel één van de meest succesvolle mensenrechtendocumenten. Het is van toepassing in 18 tijdzones op meer dan 800 miljoen justitiabelen. Het Europees Hof voorde Rechten van de Mens (EHRM) heeft een werkvoorraad van om en nabij de 100.000 dossiers. Maar het Straatsburgse Hof moet het doen met een budget van omstreeks 53 miljoen euro. In 2001 publiceerde ik in Ars Aequi een tweeluik waarin ik stilstond bij het succes van de afgelopen 50 jaar EVRM en vooruitblikte op de grote uitdagingen voor het EHRM in de komende 50 jaar. Dit artikel is een vervolg daarop. Hoe moet het verder met het EHRM en de immer groeiende werklast? Gaat Rusland het 14e Protocol nog ratificeren? Wat zal de impact zijn van toetreding van de EU tot het EVRM? Is vasthouden aan een reële nulgroei van het budget van de Raad van Europa nog realistisch?

Verdieping | Studentartikel
juni 2008
AA20080424

Het evenredigheidsbeginsel als gedragsnorm voor het overheidsbestuur

H.E. Bröring

Post thumbnail In haar Harderwijk-uitspraak van 2 februari 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een nieuwe lijn voor het evenredigheidsbeginsel uitgezet. Hiermee is de terughoudende toetsing in het kader van artikel 3:4 lid 2 Awb verlaten. Deze bijdrage gaat over de betekenis van de koerswijziging voor het bestuursrechtelijke besluitvormingsrecht, waar het evenredigheidsbeginsel geen toetsingsnorm maar een gedragsnorm vormt.

Verdieping | Verdiepend artikel
oktober 2022
AA20220755

Het EVRM

J.H. Gerards

Overig | Rode draad | Canon van het Recht
oktober 2010
AA20100726

Het EVRM en de onpartijdige strafrechter

M.I. Veldt

In dit artikel wordt een proefschrift beschreven waarin de onpartijdige strafrechter is onderzocht in het licht van het EVRM. Er wordt ingegaan op de theoretische waarborgen in het Nederlandse recht voor de onpartijdigheid van de rechter. Ook wordt er onderzocht in hoeverre concrete zaken de toetsing door het EHRM doorstaan.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
december 1997
AA19970897

Het EVRM en de partij-getuige

G.R. Rutgers

Hoge Raad 19 februari 1988, nr. 13151, ECLI:NL:HR:1988:AD0203, NJ 1988, 725 (Dombo Beheer BV/Nederlandse Middenstandsbank NV) Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM/ECHR) 27 oktober 1993, Application no. 14448/88, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888 (Dombo Beheer BV/The Netherlands) Twee uitspraken, zowel van de Hoge Raad (19-2-1988) en het EHRM (27-10-1993) worden besproken. De uitspraak van het EHRM volgt op de uitspraak van de Hoge Raad. Het gaat i.c. om de partij als getuige. Onder het oude recht stond het OBW en het oude Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering niet toe. I.c. heeft de (oud) directeur van een bv niet kunnen getuigen. Volgens het EHRM is dit in strijd met de regels van een eerlijk proces. Het EHRM kent geen 'minnelijke genoegdoening' (schadevergoeding) toe omdat indien de getuigenis wel had plaatsgevonden niet zeker was of de verliezende partij in dat geval gewonnen had.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 1994
AA19940758