Sociaal-economisch recht

Parallellen tussen de homo economicus en homo roboticus: met technologie als actor binnen het recht

J.G.C.M. Galle

Post thumbnail Deze opinie verkent de parallellen tussen de homo economicus van de eerste industriële revolutie en de homo roboticus in het huidige digitale tijdperk. Waar technologie besluitvorming objectiever en efficiënter lijkt te maken, roept dit nieuwe vragen op over regelgeving, verantwoordelijkheid en governance. Wetgeving richt zich steeds vaker direct op technologie en redeneert niet meer enkel vanuit de (maat)mens. Dit dwingt ons na te denken over autonomie, over (menselijk) toezicht en aansprakelijkheid in een geautomatiseerde samenleving. Daarnaast is een meer conceptueel debat nodig over ons mensbeeld in samenhang met de technologie-gerichtheid van de huidige Europese wetgeving. Kernvraag hierbij is wat uit de parallellen tussen de homo economicus en homo roboticus moet worden meegenomen. Beide mensbeelden leggen immers bloot dat regelgeving onvermijdelijk vertrekt vanuit een impliciete voorstelling van de mens en dat dit beeld de contouren van ons recht mede bepaalt.

Opinie | Opiniërend artikel
februari 2026
AA20260125

Passende arbeid als recht van de mens

Recht op arbeid en op werkloosheidsuitkering in internationaal en Nederlands recht

F.J.H.C. Smit

Hebben de economische, sociale en culturele rechten in het algemeen en het recht op arbeid in het bijzonder rechtskracht en zijn zij afdwingbaar? Voldoet reeds alle arbeid daartoe waar de werknemer in staat is als voorwerp van het recht op arbeid of moet dit recht worden uitlegd en toegepast als recht op passende arbeid? Kan de werkloze werknemer volgens internationaal en Nederlands recht worden verplicht tot het verrichten van elke arbeid waartoe hij of zij in staat is, danwel tot het verrichten van passende arbeid alleen? Wat is de minimumgrens van deze verplichting die een uitkering in geval van werkloosheid met zich meebrengt?

Literatuur | Proefschriftbijdrage
juni 1994
AA19940463

Passieve legitimatie uit cognossement

F.G.M. Smeele

Bespreking proefschrift. Hoofdvraag is wie er bij cognossementsvervoer tot vergoeding van ladingschade kan worden aangesproken, met andere woorden ‘whodunnit?’Auteur concludeert dat bij nader inzien de tegenstelling tussen debeginselen van partij-autonomie en derdenbescherming bij de passieve legitimatie maar eenschijnbare. Zeer wel kunnen deze uitgangspunten met elkaar in harmonie gebracht worden, namelijkwanneer aan het contractuele aspect in de verhouding tussen vervoerder en afzender en aan het waardepapierrechtelijke aspect tussen vervoerder en derde-houder beslissende betekenis wordt toegekend.

Literatuur | Proefschriftbijdrage
november 1998
AA19980919

Payrolling: over duiding en verbinding

L.G. Verburg

Post thumbnail De auteur behandelt de vraag op welke feitelijke constellaties payrolling betrekking heeft. Vervolgens komt aan de orde of payrolling valt binnen de definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW. Daarna volgt een beschouwing over de vraag wie de werkgever is van de gepayrollde werknemer: het payrollbedrijf of de inlener

Verdieping | Verdiepend artikel
december 2013
AA20130907

Pelham, Funke en Spiegel Online: beperkingen en grondrechten in het EU-auteursrecht

D.J.G. Visser

Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:624, C-476/17 (Pelham), Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:623, C-469/17 (Funke), Hof van Justitie Europese Unie (HvJ EU) 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:625, C-516/17 (Spiegel Online)

Annotaties en wetgeving | Annotatie
november 2019
AA20190887

Pensioenrecht 2023-2024

J.R.C. Tangelder

Post thumbnail De belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van het pensioenrecht speciaal geselecteerd voor gebruik in het onderwijs en de rechtspraktijk. Teksten zoals deze gelden op 1 juli 2023.

9789493199859 - 24-07-2023

Pensioenrecht 2023-2024 (Digitaal boek)

J.R.C. Tangelder

Post thumbnail De belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van het pensioenrecht speciaal geselecteerd voor gebruik in het onderwijs en de rechtspraktijk. Teksten zoals deze gelden op 1 juli 2023.

9789493199859 - 24-07-2023

Pensioenverevening bij echtscheiding: de hardheidsclausule in de Duitse rechtspraak en verplaatsing naar Nederlands recht

P. Schaminée

Pensioenverevening, het bij echtscheiding verdelen van opgebouwde pensioenrechten tussen man en vrouw, staat sedert het recente arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, RvdW 1981, 157, verhoogd in de belangstelling. Waar echter wettelijke regeling noch rechtspraak voorhanden zijn, mist de jurist elk houvast. Het is dan zinvol om 'over de grenzen te kijken'. Als enige kent het Duitse recht een wettelijke regeling met  betrekking tot pensioenverevening, de zogenaamde ‘Versorgungsausgleich’. Een vergelijking van dit sedert 1977 bestaande systeem met het arrest van de Hoge Raad leek daarom niet van belang ontbloot. Waar pensioenverevening algemene regel is, wordt de hardheidsclausule -- de bepaling dat een algemene regel uitzondering zal leiden indien dit tot aperte ‘hardheid’, onbillijkheid, zal voeren - van eminent belang. In het onderstaande wordt daarom eerst een uiteenzetting van de achtergronden en beginselen van de pensioenverevening gegeven, waarna gevallen aan de orde komen waarin naar het oordeel van de Duitse rechter de hardheidsclausule toepassing diende te vinden. Elke casuspositie is vervolgens hypothetisch naar Nederlands recht verplaatst.

november 1982
AA19820628

Personenvennootschapsrecht, quo vadis?

A.S.J.M. Tervoort

Post thumbnail

De Hoge Raad heeft in 2015 drie baanbrekende arresten gewezen die betrekking hebben op het personenvennootschapsrecht: het recht betreffende de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Daarmee komt de vraag op wie de alom noodzakelijk geachte modernisering van het personenvennootschapsrecht, dat nog dateert uit 1838, ter hand moet nemen: de wetgever of de Hoge Raad.

Verdieping | Verdiepend artikel
maart 2016
AA20160161

Philips/Remington

Ch.E.F.M. Gielen

Hof van Justitie Europese Gemeenschappen (HvJ EG) 18 juni 2002, zaak nr. C-299/99, ECLI:EU:C:2002:377 (Philips/Remington) Verhouding tussen artikel 3(1)(a) Merkenrichtlijn enerzijds – tekens die geen merk kunnen vormen – en artikel 3(1)(b)-(d) anderzijds – merken die geen onderscheidend vermogen hebben en uitgesloten vormmerken. Merken die bestaan uit de vorm van producten zijn uitgesloten, wanneer de vorm noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, hetgeen het geval is wanneer wordt aangetoond dat de wezenlijke functionele kenmerken van die vorm uitsluitend aan de technische uitkomst zijn toe te schrijven. Het doet er hiervoor niet toe dat er andere vormen bestaan waarmee een zelfde technische uitkomst kan worden verkregen.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
januari 2003
AA20030043

Platformarbeid: bezorger van hoofdbrekens

J. Kloostra

Post thumbnail De manier waarop wordt gewerkt, verandert als gevolg van technologische ontwikkelingen. Met behulp van de techniek trachten platformen als Uber en Deliveroo de arbeidsrelatie zodanig in te richten dat platformwerkers zelfstandigen zijn. Platformarbeid roept kwalificatievragen op. Dit artikel signaleert twee knelpunten die zien op de juridische duiding van die arbeidsrelatie en de consequenties daarvan.

Opinie | Opiniërend artikel
april 2019
AA20190289

Polbud: een paradigmawisseling voor grensoverschrijdende omzettingen?

T.A. Keijzer, O. Oost, P.J. Suurd

Op 25 oktober jongstleden wees het Europese Hof van Justitie arrest in de Polbud-zaak. Het arrest vormt een interessante toevoeging aan het reeds indrukwekkende bouwsel van het Hof van Justitie inzake grensoverschrijdende omzettingen. In deze bijdrage bespreken wij de Polbud-zaak en wordt deze in een breder verband geplaatst. Zien wij het goed, dan heeft het Hof van Justitie het uitvoeren van een grensoverschrijdende omzetting aanzienlijk vereenvoudigd. De werkelijkezetelleer lijkt bovendien nog verder dan reeds het geval was in het defensief te worden gedrongen.

Verdieping | Verdiepend artikel
december 2017
AA20170979